web analytics
Zoo ik iets ben, ben ik een Hagenaar

Zoo ik iets ben, ben ik een Hagenaar

Een Hagenaar terug in Den Haag (fragment).
Uit: Wreede portretten.

I.

Zoo ik iets ben, ben ik een Hagenaar. Van Holland ken ik zóo weinig, dat ik mij nu voor neem, in het voorjaar, met een Baedeker, een reis te maken van Zeeland tot Groningen toe. Amsterdam ken ik hoogst oppervlakkig, Rotterdam eigenlijk in het geheel niet. Polders, kanalen, dijken en andere zeer Hollandsche landschapseigenaardigheden zijn mij, als ik het zoo maar bekennen mag, volstrekt ònbekend. Ik wil ze kennen; het is te dwaas, dat iedere Engelschman, dien ik in het buitenland ontmoet, in zijn h o u s e-b o a t gereisd heeft langs de intiemste plekjes van onze provincies en dat ik hem blozend vertellen moet, dat ik niets gezien heb van die water-doorsneden landouwen. Siena ken ik beter dan Gouda of Doetichem; Capri ken ik beter dan Marken (waar ik nimmer was); Michelangelo is mij vertrouwder dan Rembrandt en toen Dr. Bredius mij verzocht zijne prachtige collectie in zijn heerlijk huis op de Prinsegracht te bezoeken, heb ik aldaar voor de wonderteekeningen van den grooten meester en voor zijn zielvollen Christuskop mij geschaamd, dat ik van de Italiaansche Renaissance meer wist dan van onze eigene gouden eeuw en een ontevreden gevoel in mij ontdekt…

Zoo ik dan iets ben, ben ik een Hagenaar. Een Hagenaar, die, geboren op de Mauritskade n°. 11, zijn eerste kinderjaren heeft voelen wiegen op de deuntjes der soldaten, die op het voorplein der Oranje-kazerne zongen:

En de vierde kompie, en die poetst niet graag
En daarom is ze zoo vet, ja-ja…

Dichtregelen, waar het door de schuttingplanken glurende kind niet den humor van begreep, zoo dat hij dan ook meer gevoelde voor het lieflijk heroïsche:

Tirailleurtje, wees tevreden,
Want daar komt de vijand aan!

Een Hagenaar, die, als klein jongentje, een beetje overduveld door al zijn groote broêrs en zusters, zoetjes wandelde aan de hand van zijn kindermeid, Caroline, langs de lanen der Haagsche Boschjes, of geheimzinnige spelletjes bedacht in de hoeken der muurkasten, spelletjes, die reeds zijne allereerste romans symbolizeerden en waarvan noch zijne ouders, noch broeders en zusters, noch Caroline ooit iets begrepen. Een klein Hagenaartje dus, een erg vroom Hagenaartje, die plechtig zijn kinderbijbeltje las — een hoofdstuk er uit — vóor hij naar bed ging, maar ook, in bed, een gestolen lint van een zijner zusters bond aan zijn eenen voet, en die voet met den andere, onvertuiten voet buiten de dekens stak om ze met elkander te doen dansen, als heer en dame: de omlinte voet was natuurlijk de dame. Een kind met vreemde fantazietjes, die de school bezocht op den hoek van het Buitenhof, vóor hij, negen jaar, met de heele familie naar Indië vertrok…

Het is mogelijk, dat die vroege verplaatsing van grooten invloed was op ziel en geest van den kleinen Hagenaar. Sedert voelde hij — na vijf jaren kwam hij in Den Haag terug — de vreemde onrust in zich, die niet duldt het wortelen op de plek der geboorte. Sedert werd hij de Hagenaar, die zich kriebelig voelde worden als hij lang toefde in Den Haag. Zoo hij er toch jaren toefde, zonder meer verplaatsing dan het zomerreisje, was dit wel omdat hij, de jongste en langst in huis geblevene — dit maal Nassauplein (eerst: -kade) 4 — zijn zoo beminde moeder niet wilde verlaten. Een moederskindje was hij wèl, een bedorven kindje, geboren om te bederven en eigenlijk zijn geheele leven, nu door die, dan door deze bedorven, misschien wel omdat hij zich de bederving zoo goed laat wel gevallen. Maar eenmaal gehuwd, werd hij misschien wel heel weinig bedorven, want zeer kort gehouden maar vooral werd hij de Vliegende Hagenaar, wien zijn vrouw wel eens verweet, dat vier maanden de grootste termijn was, die hij uit hield in de zelfde stad om van de dorpen nu maar niet te gewagen.

Deze zoo vluchtige Hagenaar is thans terug in Den Haag. Oorlogstoestanden en psychische toestanden drongen hem, met een zoet lijntje, terug te keeren ter vaderstad, die hij tien jaren verwaarloosde met de meest schandelijke onverschilligheid. Thans donkert Hollandsch grauwe winterwolk boven zijn hoofd, dat hij slechts meende te kunnen hoog houden in Zuidelijk azuur. Door den striemenden, vaderlandschen regen ziet hij zijn geboortestad eindelijk terug. En het is vreemd, maar hij schijnt wel beloond te worden voor zijn een weinig onverwachten terugkeer. Want hij ziet Den Haag terug, nièt als een Hagenaar, die maar enkele jaren afwezig was; hij ziet Den Haag vooral terug als een toerist. Als een vreemdeling, die verbazend goed Hollandsch spreekt. En is dit niet een belooning voor den verloren Hagenaar, die terug keerde, dat hem, vreemdeling en toerist in zijn geboortestad, vooral treft het typiesch Hollandsche van die stad?? Wie immer bleef, waar hij werd geboren, ziet het typiesche niet meer. Hij groeit samen met zijne omgeving, hij weeft samen met de atmosfeer, hij verliest zijn zicht op de dingen en behoudt die alléen als hij schilder is en zelfs dàn niet altijd. Maar wie zich los maakt van eerste omgeving, wie ontgroeide aan de eerste atmosfeer en dan terug komt in die zoo bekende en toch onbekend gewordene luchten, wint een nieuwe vizie, waarin zijn oog genietend ontdekt, wat bij te trouwe worteling van zijn wezen, hem nooit zóo zou hebben getroffen. Zoo trof er den terug keerenden Hagenaar reeds dadelijk in Holland — in Arnhem, in Utrecht, in Den Haag aan het station — iets echt Hollandsch in de gezichten, die hem omringden, gezichten van spoorwegbeambten, van kruiers, koetsiers, wat plompe volksgezichten, volstrekt Noordelijk en Kaninefaatsch, iets trouws, iets trouwhartigs, iets gemoedelijks, iets van: ik zal je nou wel helpen, meneer, daar kan je op aan en je moet er maar niet over tobben, het komt waarachtig wel te recht. (Hoewel natuurlijk de terug keerende Hagenaar géen oogenblik getwijfeld had, dat hij nièt te recht zou komen en geene seconde had getobd.) Die zelfde vertrouwen suggereerende trouwhartigheid in gezichten, die alle Latijnsche, zonnelijke (niet zinnelijke, o gij zetter!) bekoring misten, klonk ook door in het accent der stem, der volksstem, die de terug keerende Hagenaar in jaren en jaren niet meer vernomen had. Dat was een wat deeglijke (om niet g e – e m p â t e e r d e te zeggen en goed vriend te blijven met mijn vriend Emants) en daar bij degelijke klank, die niet zoo maar van de lippen-af werd geflóten, maar die, van binnen uit, even gevoelvol bij witkiel en zelfs bij, door zijn ambt niet al te sentimenteel gestemden, chauffeur op klonk naar het oor des terugkeerenden, zoo dat hij week gestemd werd en niet kon weerstaan aan een drang chauffeur of witkiel te verzekeren, dat hij in géen tien jaren deze trouwhartigen klank had vernomen. Waarop het: Waarlijk, meneer?, zoo gevoelvol, deeglijk en even verwijtend den Hagenaar aan deed, bijna als Italiaansch aan het station van Santa Maria Novella.

Dat was het eerste, dat den Hagenaar trof. Om hem heen waren de gezichten trouw, goèd, een beetje zwaar, niet geestig schuin spiedend of glimlachend verleidend om wie zóo vreemdeling scheen geheime schoonheden te ontdekken in deze lage landen, maar vooral breed trouwhartig en zóo eerlijk om zelfs den dragers dier gezichten handbagage toe te vertrouwen, waarbij kostbare, zonder éen oogenblik te kijken naar nummer op pet of mouwband. Hij liet den zoo eerlijken Hollander gaarne de keuze tusschen stuivers en kwartjes in de palm zijner hand, daar zijn ontwende blik die dingetjes absoluut niet wist te onderscheiden, terwijl de minuscule dubbeltjes, teer fijn als zilveren loovertjes, telkens slipten tusschen zijn reishandschoen vingers en door de trouwhartige Kaninefate-oogen werden gezocht aan zijn voet in spoorcoupé of restauratie-zaal. De petiterige muntstukjes, die zoo weinig van waarde schenen en toch even méer vertegenwoordigden dan twee dikke, solide, bronzen, Italiaansche dubbele s o 1 d o-stukken, die kleine blank metalen abeeleblaadjes, — niet volwassen, maar verschrompeld van Hollandschen wind vóor lente zomer wordt — enfin, die nietige dubbeltjes werden steeds weer gevonden en over gereikt door brave, Hollandsche knuisten, hoewel de terugkeerende vaak genoeg, onverschillig voor zóo kleine drupjes van aardsch slijk, niet aan drong op zóo nauwkeurige in-acht-neming van het mijn en het dijn. En wèl geroerd aan kwam in zijn hotel.

Zeker, hij werd wel beloond voor zijn terugkeer en het typische, het in-Hollandsche trof hem, die volgende dagen, in de stad, die hij steeds cosmopolitischer geroemd had dan Schiedam of Oudewater.

Uit de eetzaalvensters van het groote hotel zag hij de typiesche kleine straat met de typische kleine winkeltjes. Ieder huisje een huisje apart, ieder winkeltje een huisje, met een eigen dakje er op. Trouwens, dat trof in iedere straat. Ieder woonde apart, in zijn huis of in zijn huisje. Hoe verschillend van óveral, waar bijna nooit anders dan groote gebouwen verschillende bewoneren herbergen, met dikwijls een winkel gelijkvloers. Met éen dak, een groot dak boven allerlei inwonende menschen, die elkaar maar zelden kennen en elkander onverschillig be-ellebogen op de groote trap. Hier, in Holland, in Den Haag wilde ieder zijn eigen dak boven zich en wonen tusschen zijn eigen vier muren. Liever vele trappen klimmen van woonnaar slaapvertrekken, van kelder naar zolder, dan met anderen wonen tusschen de zelfde muren en onder het zelfde dak. Een afgesloten geheimzinnigheid, een kubieke, dakgepunte eigenheid hield steeds het Hollandsche, het Haagsche gezin omvat. Hollandsch, natuurlijk: de terug gekeerde Hagenaar wist, dat het overal in Holland zoo was. Liever de meid naar de voordeur om de andere minuut, dan een appartementbouw met of zonder portier. Hoe geheel Hollandsch waren die straten! Zoo waren zij in géen land. Ook scheen het den terug gekeerden Hagenaar toe, dat het alles welvaren was in de stad. Waren sommige wijken misschien voornamer dan andere, welvarendheid glom over alle. In Italië staat het adellijke paleis tusschen de armelijke sloppen en warrelen de povere buurtjes dadelijk achter de gunstere winkelstraten. Hier, in Den Haag, schenen geen povere buurtjes of armelijke sloppen te zijn. Ten minste, de teruggekeerde kwam ze niet tegen. Waar waren zij?? De welvarende wijken strekten zich uit, regelmatig gebouwd, naar Scheveningen toe, naar het wel scheen mijlen lang. Het waren meestal huizingen van drie verdiepingen, zuiver banaal van lijn gebouwd, netjes van baksteen, echt Hollandsch van kozijn en raamomlijsting. De schoorsteenen rookten. De gele en bruine verf glom. De deurbel en de koperen brievenbusklep glommen. De valgordijnen waren tot een zelfde evenaar neer gelaten, de tulle gordijnen schenen pas gewasschen. Het was precies zoo frisch en proper als men in het buitenland zeide, dat het was. En de straten en trottoirs, trots de beruchte faam der Hollandsche hondjes, waren te beschrijden, zonder éen blik behoeven te richten naar het verschiet vóor den argeloozen laars of schoen. Ten minste, de goede kans liep met den Hagenaar meê. Hij herinnerde zich de Florentijnsche stofkuilen of modderpoelen. Niets van dit alles hier. De regen, correct, vulde alleen met regelmatige plasjes de straat. Het was wèl als men het elders vertelde en daarom trof deze properheid den teruggekeerde als het hem nimmer getroffen zoû hebben, indien hij hier altijd gewoond had.

Klein en proper, zoo vond hij het alles, zoo vond hij zijn goede stad Den Haag, die hij vroeger cosmopolitiesch en heel gewoon van zindelijkheid had gevonden. De patricische huizingen in het Lange Voorhout vond hij typiesch, typiesch Hollandsch van muren, daken, deuren, vensters, raamposten, zoo streperig fijn, die allen, in het gezeefde, groengrijze, doorregende licht. De „paleizen” vond hij schattig. Dat van de Koningin-Moeder en hij herinnerde zich: dat en dàt waren in zijne kinderjaren geweest de „paleizen” van den Prins van Oranje en van Prins Alexander… Allerliefste, kleine paleizen, lief van ouderwetschen stijl, stijlvol zonder bepaalden stijl, dèftig vooral, niet overstelpend, maar bescheiden voornaam; de eigenschap, die de Hollander het hoogste waardeert.

Zoo liep, in den stillen avond, de teruggekeerde Hagenaar te flâneeren langs de verlatene straten. Het was geen flâneer-uur, het was een stil uur: de blinden der huizen waren meest allen toe of de opgestoken lichtkronen glommen de kanten gordijnen door. De huizen omsloten het intieme leven veilig, met nauwlijks, nu en dan dat verlichte doorzicht der voorkamers aan straat. Nauwlijks een wandelaar. Stil en nat strekten de welvarende straten zich uit, in den regen . . . Hoe in-Hollandsch, hoe in-Haagsch was dit! En terwijl de avond-flâneerende Hagenaar — die terug was gekeerd — straat na straat door stapte in den Haagschen regen, rezen bij véle huizen de herinneringen voor hem op… En mengden zich in die herinneringen de schimmen. In hoe vele van die huizen was hij niet eenmaal binnen getreden . . . Om hoe vele van die huizen verteederde hem niet heugenis zijn al te gevoelige hart. Hier was het eigen ouderlijk huis, daar was de villa van toen reeds zeer bejaarde, nu gestorvene verwanten… Hier doemden, huis aan huis, de huizen van vrienden, die, ook, waren gestorven of verhuisd, naar andere huizen, naar andere steden ., . Hier had des Hagenaars wereldsche jeugd geschitterd, daar had hij leed gehad met wie hem lief was geweest. Hier was hij intiem binnen gekomen en hem heugde nog de aroma der vergane gesprekken; daar had hij slechts als „uitgaand jongmensch” eenige uiterlijkheid ten beste gegeven, maar alle die huizen, wier drempels hij eens had overschreden en die hij nu voor bij ging, deden zijn te gevoelige hart aan. Tot hij, gelukkig, verdwaalde in de nieuwe, in de nieuwste wijken, waar reeds zeewind hem omruischte en de regen hem in het gelaat sloeg. En terwijl hij zich verbaasde, hoe veel en hoe ver men in Den Haag had gebouwd, nieuwe huizen en steeds nieuwe huizen, waardeerde hij het, dat in deze wijken geen enkel huis hem gevoelig aan deed, om de goede reden, dat alle die huizen gebouwd waren in zijn tienjaarsche afwezigheid, waardeerde hij dat omdat hij vreesde op zijne avondflânerie in doorregende eenzaamheid t e gevoelig, overgevoelig te worden: iets, dat héel gevaarlijk is voor wie terug keert in de stad zijner geboorte, om er de nieuwe emotie te zoeken.

Want de oude, ach, doemt zoo heel gauw in overgevoelige harten weêr op en zij mag ons nietbeheerschen, vooral niet in onze geboortestad, in de stad waar wij leefden en leden wat het éerste was en daarom het innigste bleef van alles wat wij leden en leefden . ..

II.

Ik schijn wel een Hollander te zijn, maar het is me soms toch wel vreemd. Ik schijn wel een Hagenaar geboren te zijn, maar kan er soms niet aan gelooven. Zoo als alles contradictie en tweeledig in mij is, zoo zijn deze gevoelens ook altijd verdeeld en twee. Voel ik me òok toch vreemdeling en geboren, ik zoû niet kunnen zeggen, waar. Het is mij vreemd de taal, die ik in het buitenland alléen met mijn vrouw spreek, om mij te hooren bezigen als een taal, die iedereen om mij spreekt en soms herken ik haar niet altijd. De taal, die mijn instrument, mijn „viool” is, klinkt overal om mij op en soms komt de vrees in mij, dat mijn „streek” niet altijd geheel nationaal is, dat ik te lang heb getoefd buiten den cirkel der nationale taalmuziek . .. Muziek is zij wel niet altijd te roemen, maar de geheele symfonie is mij toch iets wondervols omdat uit alle monden weerklinken die zelfde klanken, die ik alleen in intimiteit of in proza-muziek hield besloten. Nu ben ik waar ik behoor en toch ben ik ontwend. Het woord uit den volksmond heeft voor mij zóo iets eigenaardigs, dat ik het niet altijd dadelijk versta en het mij dus dubbel belang in boezemt. Ik hoor nu mijn eigen taal om mij spreken als een kluizenaar, die terug zou zijn gekomen op de drukke markt der stad, die hij eenmaal verlaten had. Daar ginds was die taal m ij n eigendom, hier is zij een openbaar bezit. Maar vreemd tegenstrijdig aan dit gevoelen is weer dat gevoelen, dat ik tòch thuis ben waar ik ben geboren. Daar ginds was ik een indringer, een opdringer, een koekoek, die zich nestelt in het warme nest van een ander en in deze tijden der verschrikking, waarin de primitieve achterdochten weer ontwaken, voelde ik mij wel eens aangekeken met onwelwillende bedoeling. Hier, waar mijn taal gemeen-goed is, hier voel ik mij plotseling in het bezit van allerlei rechten. Hier voel ik mij wel heel zeker en zoo ontroerend veilig. Bemind, geacht, geëerd door wie mij kennen en zelfs door wie mij niet kennen, omdat in dezen tijd de taal meer dan een paspoort waard is in de plots afgeslotene landen. In Holland ben ik een Hollander, een Hagenaar in Den Haag. Wie kan hier iets aan veranderen, zelfs wie mij haat? Daar ginds voelde ik mij in deze tijden ijl en zweven; onbekend, had ik de groote vrijheid te gaan als ik wilde; bekend, hier, heb ik nu die vrijheid verloren, maar men zal mij hier niet voor een Franschman aan zien als daar (waarom dan toch daar?) en toe roepen — want la s o r e l l a l a t i n a is tòch niet bemind: Italië heeft Frankrijk niet lief —; à la g a r e !

Ja, zonder dat er een vreemdelingenhaat reeds ontgloeit in afwachtend Italië, dat zich rustig bereidt in de lente den oorlog aan te vangen, is de vreemdeling er niet meer geëerd, geacht, bemind als vroeger, en dat kan pijn doen als de vreemdeling-in-kwestie nooit anders dan het tweede vaderland warm heeft lief gehad.

Ik waardeer hier dus dingen, die ik daar nu wel miste. Het is het geheim van behagelijk te leven, de te waardeeren dingen hièr te zoeken als zij daar ontbreken. Het is het egoïsme van de poes, dat fijn filozofische dier. Als de poes ben ik terug gekeerd naar de warme haardstede, toen de bekoring der dwaaltochten voorbij was, omdat het langs de verre straat te rumoerig werd.

Nu waardeer ik de Hollandsche dingen. Een staljongen op klompen, die in een stal emmers water uit smijt om den vloer te reinigen, doet mij ècht Hollandsch aan, om zijn blond, breed bakkes, zijn emmer en zijn klompen en ik kijk naar hem zoo als ik in Napels naar een zwartoogigen straatslijper zoû kijken. Die staljongen is „schilderachtig” voor mij en het is maar heerlijk, dat hij het zelve niet weet. Een bloemenverkooper met tuilen tulpen, netjes in papieren trechters, doet mij eveneens aan om zijn Hollandsche karakteristiek : de tulp is wèl een Hollandsche bloem. Alles wat in het buitenland de conventioneele kleur is der lage landen, zoekt mijn ontwende oog hier, wetende dàt het is conventioneel. Nu heb ik al klompen op gelet en tulpen. Dat is heerlijk en al heel veel, want ik ben hier nog zoo kort. Als ik een pijp ruik rooken, krijg ik een verteederden glimlach om mijn lippen.

O, de heerlijk drenzige, vet geluidige draaiorgels, dezen morgen! Ze vervulden mij met wellust, zij deden mij denken aan de kermissen mijner kinderjaren en ge moet tien jaren lang niet dien doordringenden snerping hebben gevoeld om te kunnen begrijpen, dat er dit maal in mijne woorden heelemaal geen ironie schuilt. Lekker geluid, dat van zoo een draaiorgel: het verwarmt je in een guren morgen als een borrel zoû doen; het doet je heel prettig aan. Vloermatten uit slaan en kloppen, wat een gezonde stevigheid is er in het kloek rythme, waarmee deze wel wat verwonderend aandoende hygiënische huishoudelijkheid op straat, des Vrijdags, om éen ure ’s nachts geschiedt. Nù kan ik pas zulke détails genieten, want je geniet die wèl als je reist en leert op merken, maar niet als je thuis zit en de eigenaardige geluiden en dingen langs je heen laat glippen als onbelangrijk. O, de de Scheveningsters met de wijde rokken en schoudermantels, met het zoet ronde kanten kapje en de twee geparelde voelhorentjes, ik heb ze van daag voor het éerst gezien en ze waren zoo aardig als op geen schilderij; het doet me wel leed voor onze schilders. O, die Vischmarkt met de blauw blanke, krimpe visschen van onze koude Noordzee en de vischboeren, die zoo sober stoer bruinden achter die blankheid: een schilder moet eerst naar Italië gaan, om ze daarna te kunnen schilderen, te zièn.

Zoo veranderen de eenmaal gewende en bijna onverschillig gewordene indrukken tot nieuwe, tot frissche indrukken. Ik zie de Haagsche straat nu nieuw en frisch en Hollandsch en neem de typiek er van even gretig in mij op als die andere typiek van Italië of van Spanje. Ons mooie Stadhuisje en de Groote Kerk kan ik nu zóo gezellig bewonderen als of dier schaduwen nooit neêr waren geslagen over mijn geboorteen huwlijksakte. ..

De langwerpige vijver van den Vijverberg, in een glimp van winterzon, die zoo vriendelijk was wel te willen door breken door grauwen nevel, juist toen ik langs den boord van het water liep, zag ik in een nieuwe schoonheid — het water blauwde en goudde en de eenden schitterden van vederpracht en de meeuwen zwierden in glans-opgelichte sneeuwen kringen — als of ik nimmer, stout jongentje, in mijn kinderjaren mij los had willen rukken van Caroline’s hand, om haar angst aan te jagen en, ondeugend, héel dicht den gevaarlijken rand te naderen. Ik voel alleen een schuchterheid om te bewonderen dat wat ik van mijn geboorte af kende, omdat men meestal niet meer bewondert dat wat men van zijn geboorte af kent. Het is meer een schuchterheid voor de dingen dan voor de menschen. Zeker, het i s misschien wel erg gek als mijn kennissen mij op straat zullen aantreffen in starre bewondering voor Ridderzaal en Binnenhof. Hoewel ik toch eigenlijk ook weêr nièt verlegen voor mijn kennissen zoû zijn, als ze mij in zoo een naïve houding zouden snappen. Maar meer dan voor de kennissen ben ik schuchter voor de dingen zelve. Het is als of de Haagsche schoonheden mij, zóo ik ze nu bewonder, eenigszins verwijtend terug toe blikken en zelfs met een zweem van dédain. Omdat ik ze te laat bewonder en nóoit met ze dweepte als ik deed met de schoonheden van daar ginds.

Ik ben nu te oud om te gaan dwepen. Maar het is mij waarlijk of er een nieuwe liefde in mij wakker gaat worden voor de oude, bekende, eenmaal overbekende en nu nieuw gewordene dingen . . .

Wat mij echter zonder overdrijving duizelig maakt in Den Haag zijn de nieuwe wijken, is de nieuwe stad, zijn al die brandnieuwe straten, genoemd naar allerlei min of meer beroemde of bekende persoonlijkheden, in welke straten vele verwanten, vrienden en kennissen wonen en die ik dus onmogelijk vermijden kan. Ik vind het heel goed, dat die straten er zijn en zoo ze misschien niet specifiek Haagsch zijn, zijn ze toch wel specifiek Hollandsch, zoo proper en fatsoenlijk elk huis in zijne ommuring af sluitend éene familie, onder elk dak éene familie, maar of ik ze door wandel of door tuf, ze maken een verbij sterenden indruk op mij van eenvormigheid en eindeloosheid en als ge het mij nu op mijn geweten af vraagt, dan moet ik u eerlijk bekennen, dat ik nóoit mij zoû kunnen op sluiten in zulk een Haagsch-Hollandsch huis, met àl de papieren, die verbonden zijn aan zulk een bewoning, met al de banden, die zulk eene bewoning mede brengt, met zulke keurige tulle gordijnen voor de spiegelende ramen, met zoo vele buren, die naast mij en over mij even fatsoenlijk en proper als ik zouden wonen en wier namen en huisnummers ik zou zien vermeld met de bij-voeging, dat zij lid van Armenzorg of van de „Nachtbewaking” zijn, met de waarschuwingen, dat er niet aan de deur wordt gegeven en gekocht en dat drukwerken niet worden terug gegeven. Geheel het aspekt van zoo een brandnieuw fatsoenlijk huis, liever, het aspekt van zoo een Haagsch-Hollandsche straat doet mij verplètterend aan en zoo ik er moèst wonen, zoû ik vinden — waarom weet ik niet precies, — dat ik geheel mijn vrijheid verloren zoû hebben en zoû ik mij ongelukkig gaan voelen. Mocht het u dus ooit, beste lezer, in de gedachte komen mij zulk een keurig huis in zulk een keurige nieuwe straat cadeau te geven, dan hoop ik van harte, dat ge dit heillooze plan niet ten uitvoer zult brengen en mij mijne oprechtheid vergeven zult en u zult herinneren, dat zóo ik in mijn goede geboortestad mijn verdere levensjaren „huiselijk” moest slijten, ik dit alleen zoû kunnen doen in een huis op de Koninginnegracht of op de Prinsegracht of ook wel… op den Nieuwen Uitleg…

Daar zoû ik, ontrouwe, oude Hagenaar, mij nog wel voelen wonen in Den Haag, maar in Godsnaam, dring mij niet de Stadhouderslaan met annexen op, want ik verzeker u, ik zou heel onhoffelijk worden en trots de charmante kennissen, die ik in die streken heb wonen, het cadeau en uw huis weigeren . ..

Ik vrees dus eigenlijk, dat ik nóoit in Den Haag weer zal wonen, want ik ben overtuigd, dat mocht gij, o lezer, mij ooit een huis willen cadeau geven, dit niet anders zal staan dan in een der overstelpende nieuwe wijken en, geloof mij, ik blijf liever vagebond met wat meubels hier en wat meubels daar, met wat koffers hier en wat koffers daar en zonder veel bindende papieren. . .

0 Comments

Trackbacks/Pingbacks

  1. De dood van Vesta | Henk van Kampen photography - [...] Zoo ik iets ben, ben ik een Hagenaar, blog post on Haagse Prenten (in Dutch) [...]

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *