web analytics
Volgt met ons de Blauwe Vaan: Gedichten van Adrianus Arnoldus Koopman

Volgt met ons de Blauwe Vaan: Gedichten van Adrianus Arnoldus Koopman

Adrianus Arnoldus Koopman

Adrianus Arnoldus (Adriaan) Koopman, zoon van Cornelis Teunis Koopman en Petronella Catharina Wilhelmina Oosthout, is op 29 juni 1837 geboren op Texel. In 1862 trouwde hij met Anke Zeijlemaker. Zij kregen vier kinderen: Aafke (1863), Teunis Cornelis (1864), Cornelis (1870) en Pieter Johannes (1879). In 1888 verhuisden Adriaan en Anke met hun jongste zoon van Texel naar Amsterdam. Hij werd daar veerman op een voetveer: Met een zware roeiboot zette hij voetgangers over het water van een van de vele grachten van Amsterdam. Na het overlijden van Anke woonde Adriaan afwisselend bij zijn zoons Cornelis en Teunis Cornelis, die zich inmiddels beiden in Nieuwendam hadden gevestigd. Hij overleed op 13 oktober 1919 te Nieuwendam, 82 jaar oud.

In Amsterdam is hij gedichten gaan schrijven. Later schreef hij ook voor kranten en tijdschriften, in ruil voor een gratis abonnement. In december 1913 schreef hij hierover in een brief: Gaarne had ik ulieden bij deze gelegenheid een gedichtje gewijd, maar mijn tijd laat het mij met dezen feestdagen niet toe, daar ik nog voor vier verschillende bladen een nieuwjaarsgedicht verzocht ben te schrijven, ik geniet er echter niet veel voor, de voordeelen bestaan in vrij abonnement, en bij tusschenpoozen wat sigaren, ik kan er dus niet van eten, alleen slechts nu en dan eens rooken.

Ook heeft hij veel gelegenheidsgedichten geschreven, voor bijvoorbeeld verjaardagen en verlovingen van familieleden, maar ook wel bij begrafenissen. Veel van deze gedichten zijn acrostichons of naamdichten, d.w.z. de eerste letters van elke regel vormen samen de naam van de “hoofdpersoon” van het gedicht.

Hieronder volgen enkele van zijn gedichten.

Jaagt de liefde na

Jaagt de liefde na, door A.A. Koopman

Jaagt de liefde na


    Jaagt de liefde na, beminden,
    Als ge liefd'loos zijt gezind
    Altijd zult gij ondervinden
    Gij geen wederliefde vindt
    Tracht niet voor uzelf te leven
    Dweep niet slechts met uw persoon
    Eer moet g' U voor and'ren geven
    Licht ontvangt ge eens het loon
    In Gods Woord kunt gij het lezen
    Elk die niet heeft lief gehad
    Feitelijk wordt afgewezen
    Duldt God niet in d' Hemelstad
    Eeuwig wordt ge dan verwezen
    Naar de plaats zoozeer te vreezen
    Als ge haat draagt op Uw pad.
                       A.A.K

Verjaringslied

Een ongedateerd verjaardagsgedicht. Het is waarschijnlijk niet bedoeld voor een specifieke verjaardag, aangezien er geen enkele verwijzing naar een persoon of datum in dit gedicht zit.

De beginletters van iedere regel vormen samen het woord Ebenhaezer. Dat staat voor Tot hiertoe heeft ons de Here geholpen. Het is afkomstig uit de bijbel (I Sam. 7:12): En Samuël nam een steen en stelde die op tussen Mizpa en Sen; hij gaf hem de naam Eben-Haëzer, en zeide: Tot hiertoe heeft ons de Here geholpen.


           VERJARINGSLIED
    Een jaar heeft God u weer behoed,
    Beschermd en welgedaan
    En was U weer nabij en goed
    Nog staat g' op 's levens baan
    Hij heeft gestadig U geleid
    Alleen door zijn barmhartigheid
    En brengt nu hem steeds meer en meer
    Zijn grooten Naam den lof en eer
    En dank stijg' op naar 't Hemelhof
    Roemt Hem dan zelfs uit 't aardsche stof.
                                         A.A.K.

Verjaardag Cornelis Johannes Koopman

Een gelegenheidsgedicht voor de 25e verjaardag van Koopmans neef Cornelis Johannes Koopman (1869-1951) op 28 december 1894.


    Op den 25sten Geboortedag van mijnen Neef
 
    Cousin(*)! gij waart vast ontevreden,
    Of zelfs ge zoudt er boos om zijn;
    Riep ik u op den dag van heden
    Niet toe: "Geluk op dit festijn!"
    Een kwart eeuw! vijf en twintig jaren
    Leeft gij nu reeds in 't aardsche dal
    Ik wensch God zal u langer sparen
    Steeds u behoên voor ongeval!
    Ja, leef gelukkig, lang na dezen,
    Ook mét haar, wien uw ziele mint;
    Het huwlijksheil moog' zeker wezen
    Als ge eenmaal u in d'echt verbindt.
    Naar Bethlehem, het oog geslagen,
    Naar 's Heeren krib het hart gerigt,
    Eert Hem, die in ons heeft behagen
    Stemt in met 't Eng'len lofgedicht.
    Kiest God voor u soms donk're wegen
    Och! zit dan niet wanhopig neer;
    O! weet, - op onspoed volgt vaak zegen
    Prijst in dien onspoed nog den Heer!
    Mijn wensch en bede is dat ge u nimmer,
    Aan Zijne hand onttrekt maar immer
    Naar Hem uw hart getrokken voelt
         En steeds uws Scheppers eer bedoelt.
 
    (*)Neef

Huwelijk van Cornelis Johannes Koopman en Wilhelmina Johanna Albertina van der Horst

Op 10 november 1898 trouwde Koopmans neef Cornelis Johannes Koopman met Wilhelmina Johanna Albertina van der Horst.

In de eerste regel van het gedicht (en de bijbehorende noot) legt Koopman uit dat Cornelis Johannes niet de eerste Cornelis Koopman was die trouwde, aangezien Koopmans eigen zoon Cornelis hem al was voorgegaan.


    Zegenwensch en goeden raad
    opgedragen aan
    mijn geliefde Neef en Nicht
 
    Cornelis J. Koopman, de Tweede*
    O vermits ge in 't huwlijk gaat treden
 'k Roep u toe: smaak het grootste geluk;
    Nimmer moge uw keus u berouwen
    Evenmin als uw aanstaande vrouwe,
    Ligt drukke u het echt'lijke juk.
    Is het nu maar uw beider begeeren
    Steeds te zijn in de dingen des Heeren;
 
    Ja dan, maar ook dan slechts alleen,
    Ontwaart ge in droefheid en blijheid
    Het heerlijke Zijner nabijheid
    Alsdan leeft ge immer tevreên.
    Neen, dit wil ik niet voor u vragen:
   "Nooit komen er rampen of plagen"
    Een leven van loutere vreugd;
    Sints d'afval van 't eerste paar menschen
 
    Kan niemand zoo'n heilstaat meer wenschen
    Op aarde heerscht óók ongeneugt.
    Och! wilt op den Heere niet toornen
    Plant Hij op uw weg somtijds doornen
    Maar denk steeds: "het doel is vast goed";
    Al wat u Zijn liefde wil schenken,
    Neem 't aan, zonder eenig bedenken
 
    En prijs Hem in al wat Hij doet.
    Nu achtte ik mijn taak verricht,
 
    Waar 't niet dat 'k u geliefde Nicht;
    Iets had op 't hart te binden;
    Ligt doet ge op de huwlijkszee
    Hier nog wel eenig voordeel meê,
    En kunt ge er vrucht uit vinden.
    Laat op het schip dat gij bevaart
    Met hem dien ge hebt verkoren,
    Ik raad in gemoede 't u aan
    Nooit uw "commando" hooren.
    Alleen als storm of noodweer dreigt
 
    Ja dan in angstige uren,
    O! wil dan met uw zwakke kracht
    Het scheepje helpen sturen.
    Als 't hulkje fel geteisterd wordt
    Nooit doe u dit versagen;
    Na storm komt ook weer zonneschijn
    Aan bangerts voegt het klagen.
 
    Als soms het strand eens wat verloopt
   (Let hierop onder 't varen)
    Breek de oude bakens uit den grond
    Eer 't onheil u zou baren.
    Raakt ge eenmaal toch nog aan den grond
    Toch blijft ge kalm, gelaten;
    In Gods naam, ballast over boord
    Niet twijflend of 't zal baten.
    Als nu Gods woord is uw kompas
 
    Van "top" de Kruisvaan prijke,
    Dan zult ge zeker en gewis
 
    Het doel der reis bereiken.
    O! schenke God, dit zalig lot,
    Rust na 't onrustig heden
    Steeds looft ge Hem! met hart en stem
    Tot in alle eeuwigheden.
 
             Van uwe u liefhebbende Oom
                            A:A:Koopman
 
    * Cornelis de Eerste (welke huwde)
      was onze Cornelis (Koopman)

Verjaardagsgedicht

Verjaardagsgedicht voor Geertruida Maria Peverelli, door A.A. Koopman

Verjaardagsgedicht voor Geertruida Maria Peverelli

Een verjaardagsgedicht, voor de verjaardag van zijn (toen nog a.s.) aangetrouwde nicht Geertje (voluit: Geertruida Maria Peverelli), gedateerd 23 september 1903.

Geluk en voorspoed moogt ge smaken
Een leven vol van zonneschijn,
En zelden moog' u leed genaken
Rijk zult ge in 's Heeren zegen zijn
Treedt blij van geest door 't aardsche leven
Juicht, om het heel u hier gegeven,
Eens wacht u Hemelzaligheid.

Dit wenscht u van heeler harte op uwen verjaardag toe, uwen u liefh. a.s. Oom A.A. Koopman.

Zou het noodig zijn?

Zou het noodig zijn?, door A.A. Koopman

Zou het noodig zijn?

Gedicht uit februari 1909, naar aanleiding van de binnenkort te verwachten geboorte van een prinsje of prinsesje (op 30 april werd prinses Juliana geboren).


Wanneer ik lees, van Comité's
  Die er in deze dagen,
Zijn opgericht, ben ik ontsticht
  En zou wel willen vragen:
Is men dan mal, waartoe dit al,
  Wat zou men toch wel denken?
Dat Wilhelmien, haar kind misschien
  Niet alles zelf kan schenken?
Eén wieg van goud, liet mij nog koud, 
  Maar 't zijn al drie dozijnen;
Of, - minus één, dit moet naar 'k meen
  Toch wel bespot'lijk schijnen.
De rammelaars zijn ook niet schaarsch,
  Maar even een-en-tachtig,
't Is al te gek, alom gebrek,
  Wie vindt zoo iets nu prachtig?
Begrijp ook wel, vierhonderd stel
  Voor luiers, maar . . . . . van zijde,
O! welk een schand, voor Nederland
  Waar velen armoê lijden;
Nu wil men nog, belachlijk toch,
  Een aantal sokjes geven,
Ligt zal men zien, dat men misschien
  Van gouddraad die zal weven.
Fopspeenen nog, reeds met bedrog
  Wil men het wicht bekoren,
Elk ijvert maar, om strijd voorwaar
  En - 't is nog niet geboren!
Nog onlangs kwam, van uit Zaandam,
  Mij 't krantbericht nog tegen,
Een vrouwenschaar, geeft daar zoowaar
  Een toestel om 't te . . . . wegen!
Waar doet men 't voor? O! 'k ben op 't spoor
  Neen, vast niet voor 't kindje,
O neen, ik gis, men hoopt gewis
  Op 't onderscheidend lintje!
Ook ik bemin, onz' Koningin
  Zoo innig als elk ander,
Ook ik waardeer, haar evenzeer
  Daarvoor ben 'k Nederlander!
Ik hoop dat God, haar levenslot,
  Met liefde zal besturen;
En dat haar heil, steeds zonder peil
  Nog jaren lang moog duren!
Geniet zij vreugd; ik ben verheugd,
  'k Zal tot mijn dood haar eeren,
Maar, naar ik denk, zal ze elk geschenk
  Van wie ook refuseeren.
Als men mij vraagt, wat mij behaagt
  Wat ik dan wel zou wenschen?
Dat voor al 't geld, werd daargesteld
  Een "huis" voor arme menschen.
O, ja! men sticht, goed ingericht,
  Wel "huizen" maar, voor rijken;
Maar hulpe biên, aan arme liên,
  Och kom, laat naar je kijken!
O, Nederland! mijn Vaderland
  Wilt ge huldeblijken toonen,
Dán liefd' en min, het brengt gewin
  God zal 't u zeker loonen.
Brengt troost en hulp, in hut en stulp,
  Het zal u niet berouwen;
Dáár stemt meê in, uw Koningin,
  Ik durf dit vast vertrouwen.
Want nu mijn vraag, noemt men in den Haag
  Dit eerste, huldeblijken?
Hij die dit denkt, is vast gekrenkt
  Want, 't zal er niet naar lijken.
                            A. A. KOOPMAN
Nieuwendam 16-2-'09.

Verjaardag Marie de Boorder

Gedicht ter gelegenheid van de achttiende verjaardag van Koopman’s aangetrouwde kleindochter Marie de Boorder.


    Aan mijne geliefde Vriendin
 
    Misschien, - neen vast, doe 'k u pleizier
    Als ik u op dit blad papier,
    Regt hartelijk mijn wensch opdrage;
    Ik wenschte dat gij op deez'dag
    Een rijken schat van zegen zag,
    Doch, - ook uw verdre levensdagen,
    Een zegen, die in langen tijde
    Behalve u, ook mij verblijdde!
    Oomstrale uw hoofd steeds zonneschijn,
    Ontmoet geen rampen, leed of pijn,
    Roem steeds in wat ge moogt genieten,
    Dat ge altijd moogt op rozen gaan
    En smart u nooit ontlokt een traan,
    Rijk mogen die van vreugd slechts vlieten!
 
    Dit is de hartelijken wensch van uwen toegenegen Vriend A:A Koopman, 
    op uwen 18den geboortedag 24 Juni 1910

Brief aan Cornelis Johannes Koopman

Brief van 26 december 1912 aan zijn neef Cornelis Johannes Koopman, zoon van zijn broer Pieter Johannes, n.a.v. het overlijden van diens eerste vrouw Wilhelmina Johanna Albertina van der Horst op 26 september van dat jaar.

Nieuwendam 26.12.12.

Hartelijk geliefden Neef!

In gezondheid heb ik uwen brief, waarin ge mij uitvoerig mededeelde alles wat betrekking had op het afsterven van uwe lieve overledene. We hadden ons al verdiept in gissingen wat wel de oorzaak was geweest van haar (voor ons) plotseling overlijden, immers we wisten van geen ongesteldheid, daar we nog kort vóór de droeve tijding een briefkaart hadden ontvangen, welke heel geen mededeeling van zoo iets bevatte. We gingen er haast toe over om haren dood toe te schrijven aan een besmettelijke ziekte of een hartkwaal, aan het eerste nog meer dan aan het laatste, omdat op de circulaire stond dat er geen bezoeken van rouwbeklag konden worden aangenomen, maar hoe dit ook zijn moge, en waardoor het den Heere beliefde haar van uwe zijde weg te nemen en Waarom Hij dit deed, ons past het te zwijgen en stille te zijn. Ik heb onlangs een gedicht geschreven voor eene zwaar beproefde familie, waar drie geliefde broeders en een broederszoon in korten tijd waren weggenomen, waarin ook de regels voorkwamen:


    Och! wilt naar het wáárom? niet vragen
    Zwijg Gode stil, en heb geduld, 
    Eéns in den laatsten aller dagen
    Wordt ieder raadsel ons onthuld!
    .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .
    Bij 't geen u thans is overkomen
    Zij't woord van Job in hart en hoofd,
    De Heere gaf, Hij heeft genomen
    De Naam des Heeren zij geloofd!
    Dan moogt gij, ja, uw Gâ betreuren
    Doch weet, - zij was u slechts geleend,
    En ééns, God geev' dat dit gebeure
    Wordt gij te samen weer hereend!
    God lof, de tijd heelt alle wonden,
    Dat's óók een gave uit Gods Hand,
    Oók 't zwaarste leed, door Hem gezonden
    Oók de allerhechtste liefdeband!
    Hef dus getroost het oog naar Boven
    Al heeft 't verlies u smart gebaard,
    Blijf in Gods liefde steeds gelooven.
    Straks wordt elk raadsel opgeklaard!

En nu zal het u misschien bevreemden dat ik zoo lang heb gewacht u terug te schrijven, maar die bevreemding zal ophouden, als ge bedenkt dat het als ge dezen zult ontvangen 27 December is, den dag die ik voor verjaardag houdt. Van harte hoop ik dat gij dezen dag, dien ge nu alléén moet doorbrengen, dit in vrede zult mogen doen, we hebben weer het heerlijk Kerstfeest mogen vieren, het feest dat door de Engelen bezongen werd en waar ze zongen van Vrede op aarde, zoo hoop ik dat dien daarmeê bedoelden vrede ook met stroomen in uw hart zal nederdalen, en dus vrede met God met uwe naasten en in uw hart zult smaken. Dat zij zoo! Ge zult wel zoo goed zijn Vader en de overigen voor mij te groeten, van hem zelve hoor ik niets, ook heb ik nog niets van zijne pensionneering gelezen, en evenmin nog de afloop van het faillissement. Ik zou zoo graag Geertje eens willen schrijven, maar onbekendheid met haar adres, belet mij zulks. Nu, ontvang te slotte mijne hartelijke groeten, ook bij de a.s. wisseling des jaars, en geloof dat ik steeds ben uwe u in liefde gedenkende Oom

A.A. Koopman

Geheelonthouders Alphabet


Al drinkt ge daags een enkel glaasje
  Ge zijt dan niet uw eigen baasje,
  Neen, volgt ons na, en doe als wij,
  Geheelonthouding maakt u vrij!
 
Bedroeft het u, dat gij zoo vele menschen,
  Naar den afgrond snellen ziet?
  Sluit u dan aan, voldoet aan onze wenschen,
  Drink zelf den Alcohol dan niet.
 
Curieus, ge drinkt om kracht te krijgen
  En wat is hiervan 't resultaat?
  Dit, dat gij zult terneder zijgen
  En niet tot werken meer in staat.
 
Durft gij den kamp niet aan, mijn waarden,
  En blijft gij nog van verre staan?
  Toch moet vorst Alcohol van de aarde
  Och kom, en helpt hem mee verslaan!
 
Eén borrel op zijn tijd doet mij geen kwaad, - gewis
  Wanneer ge wacht, totdat die tijd daar is,
  En of een schampre lach nu uwe lippen plooit
  Ik zeg het u, die tijd komt nooit!
 
Fraai geredeneerd, met de bewering,
  De sterke drank maakt mij gezond,
  Ik zeg u dan, het brengt u tering
  'k Bewijs het, zoo ge wilt, terstond.
 
Geen heerendienst zoo zwaar bestaat er,
  Geen heerscht er zoo als een despoot,
  Als Koning Alcohol, gij gaat er
  Geheel meê onder, klein en groot!
 
Het is al eeuwenlang bewezen,
  Al, wie zich in zijn dienst begeeft,
  Heeft allerhand' ellend' te vreezen
  En blijft een slaaf zoolang hij leeft!
 
Is 't niet verschriklijk? om te beven?
  Weê! wie er in zijn handen viel,
  Hij vraagt uw geld, gezondheid, leven,
  Ja, in het einde zelfs uw ziel!
 
Jaagt ge naar de vrijheid? Zeker
  Elk een is gaarne vrij niet waar?
  Och! zoek die niet bij flesch en beker,
  Of bij een dronken vriendenschaar!
 
Kom, wees moedig, wil niet toeven
  Waar men u verleiden zou,
  Of, wilt gij bepaald bedroeven:
  En uw kind'ren én uw vrouw!
 
Lokt men met Sirenezangen,
  Och, hoort niet naar dat gekweel,
  Laat u in den strik niet vangen
  Want ellende wordt uw deel!
 
Meen nooit, 'k kan op mij zelf vertrouwen
  Ik kan "op eigen beenen" staan,
  Dit deed er al zoo menig rouwen
  En reddeloos te gronde gaan!
 
Nimmer zij dit uwe leuze,
  't Is een valsche leus zoowaar,
  Neen, "Onthouding" zij uw keuze
  Veilig zijt gij voor 't gevaar.
 
O, wilt met ons medewerken,
  Aan ons' o, zoo schoone taak,
  Om de drankzucht te beperken
  't Is een groote en heilige zaak.
 
Plaats u ook in onze rijen
  Geef uw arm, uw hoop, uw hart
  Om den vijand te bestrij'en
  Die de menschheid immer tart.
 
Qualiteit en goede merken, 
  Prijst de kastelein u aan,
  Wilt niet voor den kroegbaas werken
  Laat zijn "beste?" drank toch staan!
 
Reik ons de hand, laat niets u hindren
  En volgt met ons de Blauwe Vaan,
  Het gaat om 't heil van vrouw en kindren
  Och, blijft dan niet van verre staan.
 
Staart gij het onverschillig aan,
  Den kampstrijd dien wij kampen?
  Om dezen vijand te verslaan
  Die niets toch brengt als rampen?
 
Treedt dan toch toe, wij kunnen u
  Wij kunnen niemand missen,
  Kom heden nog, niet morgen, nu
  Wilt eindelijk toch beslissen!
 
U voorbeeld wekt ligt and'ren op
  Om onzen strijd te strijden,
  Och! steeg de geestdrift toch ten top
  Mocht elk zich hieraan wijden!
 
Vreest voor geen hoon, vreest voor geen spot,
  Het doel is prijzenswaardig,
  Verhelderd wordt voor velen 't lot
  Kom! toon u dan ook vaardig!
 
Wellicht zien wij de zege niet,
  Maar, - 't daagt reeds in het Oosten,
  Dat wij dien zin in het verschiet
  Zie! dit kan ons reeds troosten.
 
X is een onbekende grootheid
  Maar wat wij "weten" is wel dit,
  Dat thans de allerergste snoodheid
  Nog op zijn troon, de drankgod zit!
 
IJl dus, wij bidden 't u, Te Wapen!
  Vorst Alcohol "moet" van zijn troon,
  Het is geen tijd om door te slapen
  Ontwaakt! Sta op! het doel is schoon!
 
Zie konden we allen overhalen
  We vormden dan één broederband,
  En konden dan, God geeft 't, eens pralen
  Ook met een drankvrij Nederland!
 
Nieuwendam, 16/4/'13.             A.A.K.

Verjaardag Pieter Johannes Koopman

Gedicht ter gelegenheid van de 69e verjaardag van zijn broer Pieter Johannes, juli 1913.

Een jaar eerder, enkele dagen voor de 68e verjaardag van Pieter Johannes, is zijn vrouw overleden. Kort daarna is hij verhuisd van Woudrichem naar Utrecht. Adrianus Arnoldus Koopman was ook al enige tijd weduwnaar. Hij woonde bij zijn zoon Cornelis en diens gezin in Nieuwendam.


    Heilwensch
    aan mijn geliefde Broeder op zijn geboortedag
 
    Persoonlijk u de hand te drukken?
    Ik ben te ver bij u van daan,
    En zal dus heden niet gelukken
    Toch bied ik u mijn wenschen aan.
    Een leven, rustig, blij te moe
    Roep ik u uit de verte toe!
 
    Ja, 'k weet wel, wij zijn lotgenooten,
    Ook gij zijt niet in "eigen huis",
    Het scheiden van onz' echtgenooten
    Ach ja, gaf ons een ander thuis.
    Neen, al maakt men het nog zoo goed
    Nooit is het zooals 't "moeder" doet!
    Een eigen huis, een eigen haard,
    Steeds is ons dit het meeste waard!
 
    Komt kinderliefde 't leed verzachten
    O! dan wordt heel veel ligter 't leed,
    Omdat men zooveel doenlijk trachte
    Precies te doen als "moeder" 't deed.
    Moog dit uw deel zijn, als het mijne
    Alsdan zal 't leed ook minder schrijnen
    Noem steeds uw kroost: Tot hulp gereed.
 
    N.Dam 16.7.'13 Van uwe u liefhebbende Br A:A: Koopman

Verloving C.J. Koopman en J. van Rouendal

Gedicht t.g.v. de verloving van Cornelis Johannes Koopman met zijn tweede vrouw Jannetje van Rouendal. Het gedicht is gedateerd 1 november 1913. Op 8 januari 1914 vond het huwelijk plaats.


Geliefde Neef en a.s. Nicht!
Ja, zeker, 'k heb uw brief ontvangen,
En nu wacht gij vast met verlangen
Welk antwoord gij wel van mij krijgt;
Misschien gingt gij al practiseeren
Wat zou er toch wel aan mankeeren
Dat d'ouden Oom hardnekkig zwijgt?
Nu ik beken het, ik ben schuldig,
Maar, 'k ondervind óók menigvuldig
Als 'k schrijf, dat ik geen antwoord krijg;
'k Kan óók niet op veel brieven roemen,
Ik kon u staaltjes hiervan noemen
Maar, beter is het als ik zwijg.
Hierover basta, dus ter zake
'k Zou toch niet uitgeschreven raken,
Ik ga dus over tot uw brief;
En wat ge daarin hebt geschreven
Mag ik geen ongelijk u geven
Want, deed ik dit, 't was u een grief.
't Staat immers in Gods Woord te lezen
Dat het den mensch niet "goed" zou wezen
Wanneer men steeds alleenig bleef;
En daar ge uw Mina hebt verloren
Hebt gij een and're weer verkoren
Dat God hierop Zijn zegen geef'!
Doch, dit kan ik u wel vertellen
Géén zegen kan u vergezellen,
Wanneer ge 't poogt in eigen kracht;
God zou dien zegen vast onthouden
Wanneer ge 't niet aan Hem vertrouwde
En gij geen hulp van Hem verwacht!
Veel zijn naar het Stadhuis getogen
Maar hebben niet de knie gebogen,
Zich niet tot Hem om raad gewend;
Maar zeker zoude ik u krenken
Wanneer ik dit van u zou denken,
Neen, gij hebt vast uw God gekend!
 
En wat nu wel, van uw Verloofde?
'k Hoop dat ze houdt wat ze u beloofde
Te zijn een trouwe Echtgenoot;
Ze heeft het nog wel niet bezworen
In het publiek, voor vreemde ooren,
Stell' zij aan geen verdriet u bloot.
Stijg samen dan in 't Huwlijksbootje
En, - komt er soms een enkel stootje,
Wijte het de een dan d' ander niet;
Wilt samen in uw Huwlijksdagen
Al wat God geeft ook samen dragen
Zij het dan vreugde, zij 't verdriet.
En, schoon ik mij niet kon beroemen
Met haar, die gij uw Gâ zult noemen
Bekend te zijn, toch is 't mijn beê;
Dat gij te saam veel heil zult smaken
En gij elkaâr gelukkig maken,
En immer leven zult in vreê!
Die kennis echter kan ik maken
't Zijn nòg geen afgesneden zaken,
We leven nog in 't aardsche dal
't Zijn dus nog geen onmoog'lijkheden
Dat ik, zijt ge eens in d' Echt getreden
Kom groeten: J. van Rouendal!
Dit zijn de meest hartelijke gevoelens te uwaarts
van uwen u liefhebbende Oom
A:A:Koopman.

Ik was te Utrecht menigmaalen

Handgeschreven gedicht. Met potlood is er in een ander handschrift ondergeschreven: 24 Febr 1914. Uit correspondentie blijkt dat Koopman rond deze tijd in Utrecht op bezoek was bij zijn neef Cornelis Johannes Koopman en diens vrouw Jannetje van Rouwendal. Mogelijk heeft hij tijdens dit bezoek op 77-jarige leeftijd de Dom-toren beklommen, en er een gedicht over geschreven.


    Ik was te Utrecht menigmaalen
    Doch nooit had 'k op den Dom geweest,
    Want 'k dacht, er is daar niets te halen
    Dan moeie beên en suffen geest.
    Nu echter in mijn oude dagen
    Zocht 'k weer de Bisschopsstad eens op,
    En dorst het stoute stuk nog wagen
    Te klimmen haast tot aan den top!
    'k Zal vast wel één der oudsten wezen
    Die ooit het hoog gebouw beklom,
    En zeker, 't zal wel wonder wezen
    Wanneer ik ooit zóó hoog weer kom.
    Als men op een leeftijd is gekomen
    Van om en bij de tachtig jaar,
    Wordt daaglijks niet 't besluit genomen
    Om op te stijgen, dit is klaar.
    Het was voor 't eerst in heel mijn leven,
    En 'k heb mij niet te zeer vermoeid,
    Doch had 'k 't nu niet doorgedreven,
    'k Had voortaan dan me zelf verfoeid.

Na het overlijden van onze lieve Nella

Gedicht geschreven n.a.v. het overlijden van zijn nicht Nella. Waarschijnlijk gaat het om Petronella Catharina Wilhelmina Koopman, dochter van zijn broer Pieter Johannes Koopman, geboren in 1882, overleden op 10 januari 1915, 32 jaar oud.


    Na het overlijden van onze lieve Nella
 
    Daar ligt het stoflijk overschot, onz' Nella is niet meer.
    God, die de Schepper is van ziel en lichaam beide,
    Hij heeft het aardsche deel van 't Hemelsche gescheiden.
    Het stof daalt in de aard' haar ziel is bij den Heer!
  
    Slechts twee en dertig jaar mogt zij op aarde toeven,
    En, mogt haar henengaan ons allen ook bedroeven,
    Toch gunnen we haar de rust, dien zij bij God geniet,
    Daar deze arme aard slechts smart en tranen biedt!
  
    Wij, zouden anders doen, wij lieten jongren leven
    Wij lieten eerst de alleroudsten sneven,
    Wij plukten niet de roos, die nog te bloeien stond,
    Wij velden de ouden stam, wien niets aan d'aarde bond.
  
    Maar ach! wij weten niets, wij nietig' stervelingen.
    Ons voegt niet anders dan Gods grootheid te bezingen.
    Al wat de Heere doet, is altijd "wel" gedaan,
    Al staan ook Zijne daân ons menigmaal niet aan.
  
    Hij heeft haar nu bekleed, o, niet met aardsche kleed'ren,
    O, neen! in een gewaad, gansch rein en onbesmet,
    Ze wandelt in Gods hof nu tusschen palm en ceed'ren
    Een onverwelkbre Kroon is haar op 't hoofd gezet!
  
    Och! treuren wij dan niet, slechts stof gaan wij begraven,
    Het nietig aardsche stof, dat óók uit d' aarde kwam,
    Haar ziel is nu bij Hem, dus, in "behouden haven".
    Ze zit thans mede aan, aan 't Bruiloftsfeest, mèt 't Lam!
  
    Och! hoede God ons maar voor 't zondig murmureeren.
    Vergeefs is 't pogen toch, Zijn Hand ooit af te keeren,
    Zijn wegen toch zijn wijs, wat ons dus 't leven biede,
    Ons harte zegge steeds: Uw wil, o Heer, geschiede!
        A.A. Koopman, Oom van de overledene.

De petroliehoed

Een gedicht over Koopmans vriend Hein Swart. Deze had eens olie over zijn bolhoed gekregen, en Koopman greep de gelegenheid aan om hier een gedicht over te schrijven, en in de krant te publiceren.


    Een heer kwam van een wandling thuis en ging zich rasch verkleden
    Zijn hoed legt hij op tafel neer (de bodem naar beneden)
    Zijn jas hangt hij zorgvuldig op, men heeft hem nooit verweten
    Onordelijkheid. Zijn "ronde dop" die was hij glad vergeten.
    Wat later komt hij in 't vertrek en ziet een vreemd spectakel
    Van de hanglamp was, hoe kon 't zo gek, gebroken ene schakel.
    Natuurlijk hing de lamp nu scheef en 'k wil er niet om jokken
    Het hoedje was zowaar ik leef met olie gans doortrokken.
    Hij stond verbaasd te kijken, waarom dit nu zo moest
    Opdat het hem zou blijken dat het waarheid is: RUST ROEST
    Er werd nooit naar gekeken, ze hing daar steeds gevuld.
    Roest deed de ketting breken, Roest droeg alleen de schuld.
    Zijn dochter sprak: Hoe kon je zo onvoorzichtig zijn.
    Wrijf eens met Odeklonje of sterken wijnazijn.
    Nu slijt hij vele uren met linnen en papier
    Die hoed weer schoon te schuren, maar ach het helpt geen zier
    Natuurlijk stinkt het hoedje bijkans als een privaat
    Van al het vuile goedje waar hij 't mee overlaadt.
    Waarom, zo durf ik vragen, koopt hij geen nieuwe hoed?
    Hij had geen spot te dragen en alles kwam weer goed.
    Kon hij het niet betalen? ik liet het zo het was.
    Maar zo er om te malen komt dunkt mij niet te pas.

De inkwartiering

Gedicht uit 1919. Het zou op 19 augustus 1919, dus kort voor zijn overlijden, geschreven zijn.


Wat ongewoon vertier
Soldaten in kwartier!
't Is niet voor hun plezier,
Maar toch, ze zijn tevreden;
Goed wordt op hen gepast,
Ze zijn niet één tot last,
En door geen enk'le gast
Wordt er gebrek geleden.
 
Het ware ook zonde en schand,
Als in ons goede land,
Wellicht uit onverstand,
Men zei: "'t Zijn maar soldaten"
Wanneer een zoon of broer
Die óók zijn "op den boer",
Eens 't zelfde wedervoer,
Men zou dan anders praten.
 
Des morgens aangetreên,
Gaan zij steeds weltevreên
Naar hunne posten heen,
Om 's avonds weer te keeren.
De kostvrouw vindt men thuis,
En, - is er door abuis
Geen spijs nog op 't fornuis,
Och, dit kan hun niet deren;
't Is een gering bezwaar,
Het gaskomfoor is daar;
'Menu is spoedig klaar,
En kan men gaan dineeren.
 
De jongens zijn "wat" knap,
Men ziet geen enk'le lap,
Geen ongepaste grap
Komt men van hen te hooren;
Het komt ook niet te pas,
Als dit 't geval ook was
Dan zag men 't feit alras
Dat de achting ging verloren.
 
Hoe lang het nog wel duurt,
Eer elk zijn piek weer schuurt,
Men hen weer huiswaarts stuurt,
Ja, wie kan dat bepalen?
Niet vóór het krijgsgeschal,
Voorgoed verstommen zal
En vreê heerscht overal,
Ook in het land der Walen.
 
Maar wanneer zal dit zijn?
Nog leven wij in pijn!
Van vrede nog geen schijn,
Och! mocht ze spoedig komen!
Want zie, 't geluk verdwijnt,
Als alle welvaart kwijnt
Waar de oorlogsfakkel schijnt
Daar wordt slechts ramp vernomen!
 
Och, dat de tijding kwam:
Gebluscht is de oorlogsvlam!
Dat 't leed een einde nam;
Dan was er stof tot juichen!
Wanneer de Opperheer,
Die dolk behoeft noch speer,
Maar allen slaat ter neer,
Die niet voor Hem wil buigen!
 
Dat we in ons vaderland
Door 's Heeren sterke hand,
Door niemand overmand,
In vrede blijven leven.
Dan rest ons rijke stof:
Den Heer van 't Hemelhof
Te brengen dank en lof
Voor 't heil aan "ons" gegeven.
          A.A. KOOPMAN.
Nieuwendam, 19 - 8 - '19.

Met dank aan Willem A. Koopman (De Petroliehoed, biografische gegevens), Margaret Sandwith – Koopman (verjaardagsgedicht Marie de Boorder), en C. Koopman (verjaardagsgedicht Geertje Peverelli).

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *