web analytics
Haagsche omtrekken: Het Voorhout

Haagsche omtrekken: Het Voorhout

Damas - Haagsche Omtrekken

Damas – Haagsche Omtrekken

Haagsche Omtrekken 20 april 1885 (fragment)
Damas

Indien ik mij beroepen mag op het Plakkaat van 9 December 1539, is het een uitgemaakte zaak dat Karel V, de groote Keizer, het Voorhout stichtte in den nog bestaanden vorm, door het doen planten bij de Kloosterkerk van een dubbele rij boomen. Mij stemt het altijd aangenaam wanneer ik zie hoe zulk een machtig heerscher, die over half Europa den schepter zwaaide, die dag en nacht verdiept was in gewichtige staatszaken en van het eene bloedige slagveld naar het andere toog, — ook nog tijd en lust vond om ons, Hagenaars, te gerieven, door ons het lommerrijkste aller stadspleinen te schenken. Naar het schijnt, stonden we in een goed blad bij Charles Quint, en zoo betaamt het ons ook om, waar we ons nog steeds, ten gevolge zijner bemoeiingen, verlustigen in “zooveel wouds bij zooveel stads”, dien braven Vorst met dankbaarheid gedenken.

Ruim eene eeuw na de oorspronkelijke beplanting vertoonde zich de prachtige boomenrij der “Parelbuurt” in al haren luister, en bezielde hollandsche dichters als Van der Does, die het goed bedoelde, en Huygens, die het goed gevoelde, tot zangen welke het nog eene verkwikking is te lezen. Wie zegt hen niet na:

Lindelaen, mijn soet versinnen,
Waar ontgin ik uwen roem ?

Maar ook degenen, die wandelden in het proza des levens — de deftige spitsburger zoowel als het haagsche klein goed — kozen weldra het Voorhout tot hun lievelingsplek; terwijl de groote wereld, die toen te éen ure het middagmaal nuttigde na afloop daarvan, op straffe van onwellevendheid, nimmer verzuimde zich op de wandelplaats te vertoonen; om dan nogmaals, na het avondmaal, dat reeds te 9 uren des avonds had plaats gehad, een oogenblik te vertoeven — “onder de linden”. Men sprak in die dagen te ‘s-Gravenhage van “le tour a la mode”, gelijk men thans te Parijs spreekt van “le tour du lac”, en het is buiten kijf dat hier destijds niet minder weelde werd ten toon gespreid, dan tegenwoordig in het Bois de Boulogne.

Des avonds deed de muziek zich veelal hooren, en verschenen, in bevallig négligé, de wereldsche vrouwen en joffers, natuurlijk gevolgd door hun dienende cavalieren, die zich beijverden om haar goede gunsten te verwerven zonder zich bloot te stellen aan een al te toornigen blik van het oog, of aan een al te gevoeligen tik met den waaier.

Dan, vooral des namiddags, verdrong het weelderig volkje zich in het Voorhout, Honderd karossen tegelijk, omzoomd van vlugge ruiters, beschreven den sierlijken tooverkring; terwijl, in het midden der lanen, geen plaats genoeg was voor de voetgangers, die heel wat te bekijken hadden en heel wat bekijks. Zoo vertoonden zich, op zekeren dag, de graaf De Guiche, die in 1672, bij den overtocht vanden Rijn sneuvelde, en de jonker De la Vallière, broeder van Lodewijk’s aandoenlijke maîtres, en wel beiden in zulk een opzichtige kleedij dat ze aller aandacht tot zich trokken. De Guiche droeg een pluim op zijn hoed met een grooten edelsteen vastgehecht, die tevens de boorden van het hoofddeksel omhoog hield, terwijl hij zijn dos voltooid had met een halskraag van Venetiaanschen kant, hongaarsch wambuis en beenkleed, en op zijn antiek schoeisel den naam der geliefde in paarlen had laten stikken. De Vallière deed niet onder voor zijn vriend in weidschen tooi, en de stad liep leeg om in het Voorhout de beide vroolijke kornuiten te gaan aangapen. Het hof en de hoofsche wereld spraken gedurende acht dagen van weinig anders, de burgerij had er den mond van vol, en het geringe volk spaarde zijn grappige opmerkingen niet. “Ces bagatelles occupaient alors les esprits et valaient bien les niaiseries politiques qui les remplacent aujourd’hui, et qui font si souvent déraisonner bien des gens de notre époque”, zoo besluit mijn geschiedschrijver zijn verhaal, dat hij in 1853 te boek stelde. Niet vleiend voor de mannen van ’53! En wat een storm van verontwaardiging zou opgaan tegen Damas, zoo hij heden ten dage dergelijk oordeel durfde vellen!!

Maar niet alleen van beuzelingen was het Voorhout dier veelbewogen tijden het tooneel; ook gevaarlijke botsingen, die ten volle onder de “casus belli” konden gerangschikt worden, gaf de lindelaan te aanschouwen.

Reeds een eerste maal waren de rijtuigen van den hertog Van Holstein en van den Engelschen gezant recht op elkander aangereden, zonder van uitwijken te willen weten. Eene schermutseling tusschen het gevolg der beide heeren had plaats gehad, en drie lieden waren al gewond toen de raadpensionaris De Witt en de heer Van Duivenvoorde de twistvoerenden elk bij een arm namen en hen overreedden om elkander niet te . . . overrijden, maar liever gelijktijdig te voet het terrein te verlaten. Dat laatste geschiedde, en de ledige équipages keerden naar de stallen terug.

Een ietwat ernstiger geval deed zich voor op den 11en Augustus 1657, ten zes ure des avonds, toen het rijtuig van den franschen gezant de Thou, met zes paarden bespannen, en de karos van don Estevan de Gamarra, Spaansch ambassadeur alhier, in ernstige botsing kwamen. Bespeurende dat tal van fransche officieren zich in den twist mengden en hunne pistolen te voorschijn haalden, trok de menigte partij voor den Spanjaard, zoodat de gevolgen niet meer waren te overzien. Gelukkig riepen de heeren van Beverwaert, de Mérode, Ripperda en de Witt de hulp der lijfwacht in, en wisten zij te bewerken dat, te negen ure, door don Estevan werd goedgevonden om zijn rijtuig links te doen zwenken en het, door de intusschen opengehakte houten omheining van het wandelpad, den weg te laten vervolgen.

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *