web analytics
Burgerlijke stand in 1941: rechtsvoorschriften voor het bezette Nederlandsche gebied

Burgerlijke stand in 1941: rechtsvoorschriften voor het bezette Nederlandsche gebied

Bijlage behoorende bij den vijfden druk van het leerboek voor den burgerlijken stand van het instituut LAURILLARD te ‘s-GRAVENHAGE (Uitgave 1941).

De nieuwe rechtsvoorschriften voor het bezette Nederlandsche gebied (tot Juli 1941).

In deze bijlage maken wij melding van de nieuwe rechtsvoorschriften, voor zoover zij voor de Nederlandsche ambtenaren van den burgerlijken stand van belang zijn.

I. De bevoegdheden van den Koning genoemd in het B.W. (zie artt. 13, 33, 63, 64, 65, 66, 86, 88, 134, 329, 330, 333, 334 en 474) zijn blijkens verordening van den Rijkscommissaris No. 43/1941 overgegaan op den Secretaris-generaal van het Departement van Justitie.

Deze Secretaris-generaal kan bepalen, dat en tot welk tijdstip zijn beslissing terugwerkende kracht heeft. Terugwerkende kracht kan echter niet worden verleend tot vóór 25 Mei 1940.

De Rijkscommissaris heeft zich het recht voorbehouden om in een bepaald geval deze bevoegdheden zelf uit te oefenen.

In vele andere gevallen, waarin volgens Nederlandsch recht een kon. besluit noodig is, mag men aannemen, dat de Secretarissen-generaal van de verschillende departementen (binnen de grenzen van hun bevoegdheid) de noodige besluiten kunnen nemen en wel op grond van de a l g e m e e n e machtiging, vervat in verordening No. 23/1940.

Men denke bijv. aan de bevoegdheid van de kroon tot het verleenen van adeldom (art. 67 grondwet, leerboek blz. 27-28) en aan de in art. 183 der gemeentewet geëischte kon. goedkeuring (leerboek blz. 8).

Op verschillende nieuwe rechtsvoorschriften, welke voor a l l e ambtenaren gelden, zullen wij hier niet ingaan.

Wij bedoelen hiermede de rechtsvoorschriften betreffende het afleggen van den eed of de belofte en de schriftelijke verklaring van gehoorzaamheid, het ontslag van Joodsche ambtenaren, het verbod tot het in openbaren dienst nemen van personen, die geheel of gedeeltelijk van joodschen bloede zijn en van personen, wier echtgenooten van zoodanigen bloede zijn, alsmede de nieuwe regeling voor de personeelsvoorziening, die getroffen is bij de Plaatsingsverordening overheids- en semi-overheidspersoneel 1940.

Wij volstaan hier met de aandacht te vestigen op deze nieuwe voorschriften.

II. Bij verordening van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederl. gebied van 28 Febr. 1941 is o.a. bepaald, dat in het bezette Nederl. gebied het huwelijk van een Duitschen m a n alleen tot stand komt door de voltrekking daarvan ten overstaan van den ambtenaar van den Duitschen burgerlijken
stand.

Wil een Duitsche man hier te lande met een Nederl. vrouw trouwen, dan mag de Nederl. ambtenaar v.d.b.s. dit huwelijk dus niet meer voltrekken. Van enkele bepalingen van het B.W. kan dan worden afgeweken (bijv. van het bepaalde in art. 91 kan ontheffing worden verleend); hierop zullen wij niet ingaan, omdat ze niet voor den Nederl. a.v.d.b.s. gelden.

Met betrekking tot de wettiging van natuurlijke kinderen door een opvolgend huwelijk, dat een Duitsche man met een Nederl. vrouw sluit, zijn de Duitsche wetten van toepassing. Die kinderen krijgen door deze wettiging de Duitsche nationaliteit en verliezen de Nederlandsche nationaliteit.

Voorts is bepaald, dat met betrekking tot het recht van een Duitschen man, die met een Nederl. vrouw in het huwelijk is getreden, om aan het natuurlijk kind zijner echtgenoote zijn naam te geven, de tweede volzin van het tweede lid van par. 1706 van het Duitsche Burgerlijk Wetboek van toepassing is. Wanneer de natuurlijke vader met de moeder huwt dan wordt volgens de Duitsche wetgeving het kind een wettig kind en krijgt het den naam van den vader na verkregen toestemming.

De inschrijving van deze naamsverandering (Namenserteilung) in een Nederlandsch register van geboorten geschiedt onder overeenkomstige toepassing van art. 334a van het Nederlandsch Burg. Wetboek (betreffende inschrijving wettiging).

Als Duitsche man in den zin van deze verordening wordt beschouwd de mannelijke persoon van Duitsche nationaliteit, die niet op den voet van de Duitsche wet jood is of als jood wordt aangemerkt. Is hij wel jood of wordt hij wel als jood aangemerkt, dan zal alleen de Nederl. a.v.d.b.s. het huwelijk kunnen voltrekken. Deze verordening geldt ook niet als een Duitsche vrouw met een Nederlander huwt. Dit huwelijk kan in ons land alleen door den Nederl. a.v.d.b.s. worden voltrokken.

III. Bij een tweede verordening van den Rijkscommissaris d.d. 28 Febr. 1941 is bepaald, dat in het bezette Nederl. gebied ambtenaren van den Duitschen burgerl. stand worden benoemd.

Tot hun taak behoort, onder uitsluiting van die der ambtenaren van den Nederl. burg. stand:

1e. het opmaken van akten van geboorte en van akten van overlijden van personen van Duitsche nationaliteit ;

2e. het verleenen van medewerking bij de voltrekking van huwelijken van mannelijke personen van Duitsche nationaliteit, voor zoover deze personen niet volgens de Duitsche wet joden zijn of als joden worden aangemerkt.

Deze aangiften van geboorten en van overlijden zullen schriftelijk worden gedaan, indien hij, die tot het doen der aangifte verplicht is, niet woonplaats heeft ter plaatse, waar de ambtenaar van den Duitschen burg. stand bureel houdt.1)

Bij bekendmaking van den Rijkscommissaris d.d. 28 Februari 1941 is bepaald, dat een ambtenaar van den Duitschen burgerlijken stand wordt benoemd te ‘s-Gravenhage, Amsterdam, Zwolle en Heerlen.

Ambtenaren van den Duitschen burgerl. stand dragen den titel „Der deutsche Standesbeamte in ………….”

IV. Bij besluit van de Secr.-Generaal van de depart. van binn. zaken en van financiën, d.d. 11 Febr. 1941 is bepaald, dat de leges voor uittreksels of afschriften f 0.40 bedraagt, indien het uittreksel of het afschrift gevraagd wordt voor het onderzoek naar de afstamming. Dat het uittreksel of het afschrift voor gemeld doel wordt gevraagd moet den a.v.d.b.s. aannemelijk worden gemaakt. Deze uittreksels of afschriften zijn tevens zegelvrij. Dit besluit wordt geacht in werking te zijn getreden l Jan. 1941; te veel betaalde bedragen kunnen worden teruggevorderd.

Enkele nieuwe vrijstellingen van zegelrecht en leges zijn reeds in het leerboek (blz. 45 e.v.) vermeld.

V. Bij verordening van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied, d.d. 5 Juli 1941, zijn voorschriften gegeven betreffende de legalisatie van akten.

Deze verordening is opgenomen in het Verordeningenblad, Stuk 28, No. 122.

Deze verordening bevat drie artikelen, die wij hieronder laten volgen :

Art. l.
(l) Voor het bewijs van de echtheid van akten, welke buiten het bezette Nederlandsche gebied door overheidsinstantie’s, ambtenaren of door personen, die daartoe bevoegd zijn, zijn opgemaakt, afgegeven of gewaarmerkt, kan worden volstaan met de legalisatie der akten door een Duitsche overheidsinstantie of door een Duitsch overheidsbureau.
(2) In de bijlage is aangegeven, welke Duitsche overheidsinstantie’s en -bureaux hoofdzakelijk voor het verrichten der legalisatie van akten in het algemeen in aanmerking komen.
(3) Een legalisatie, welke ingevolge het tot dusver geldende Nederlandsche recht was vereischt, is geen voldoend bewijs voor de echtheid van de akte.
Art 2.
(1) Akten, welke in het bezette Nederlandsche gebied door overheidsinstantie’s, ambtenaren of door personen, die daartoe bevoegd zijn, zijn opgemaakt, afgegeven of gewaarmerkt en welke buiten dit gebied moeten worden gebruikt, worden op verzoek door den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied (Commissaris-Generaal voor Bestuur en Justitie) gelegaliseerd. De echtheid van akten, welke door Nederlandsche overheidsinstantie’s, ambtenaren of personen, die daartoe bevoegd zijn, zijn opgemaakt, afgegeven of gewaarmerkt, dient te voren door legalisatie door de bevoegde Nederlandsche overheidsinstantie of op andere wijze te worden aangetoond.
(2) Moet een akte, als bedoeld in het eerste lid, buiten het Groot-Duitsche Rijk, het Gouvernement-Generaal of de door de Duitsche weermacht bezette gebieden worden gebruikt, dan dient zij, indien volgens het geldende recht een verdere bekrachtiging is vereischt, aan het Rijksministerie van Buitenlandsche Zaken van het Duitsche Rijk te worden toegezonden. Te dien einde moet de akte bij den Rijkscommissaris (Commissaris-Generaal voor Bestuur en Justitie) worden ingediend, die voor de verdere behandeling zorg draagt.
(3) Voor de legalisatie zijn kosten verschuldigd.
Art. 3.
Deze verordening treedt in werking op den dag harer afkondiging.

VI. Bij arrest van den hoogen raad d.d. 3 April 1941 (opgenomen in het Weekblad v. d. Nederl. Bond van Gem. Ambtenaren van l Mei 1941), is beslist, dat het Haagsche verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering door den oorlog heeft opgehouden tusschen Nederland en Duitschland te werken.

Uit deze beslissing volgt o.i., dat moet worden aangenomen, dat ook de andere verdragen in het leerboek besproken, (o.a. het z.g. huwelijksverdrag van 1902) tusschen Nederland en Duitschland hebben opgehouden te werken.

VII. Tenslotte vermelden wij nog, dat bij besluit van den Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht d.d. 21 Mei 1940 is bepaald, dat voor de toepassing van de artt. 105 en 131 B.W. voor personen, die in m i l i t a i r e n  d i e n s t zijn, onder „woonplaats“ m e d e verstaan wordt de plaats van werkelijk verblijf.

Indien ingevolge voornoemde bepaling huwelijksaangifte plaats had in de gemeente, waar de aanstaande echtgenoot zijn werkelijk verblijf houdt, geschiedt huwelijksafkondiging uitsluitend in die gemeente.

Uit het woord „mede“ blijkt, dat bedoelde personen ook in hun wettelijke woonplaats mogen trouwen.

Wij vermelden dit besluit volledigheidshalve, hoewel het niet meer wordt toegepast.

1) De gemeentebesturen ontvangen afschriften van genoemde akten ten behoeve van de bevolkingsadministratie.

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *